speech Lara de Brito beschermd wonen

Inleiding Expertmeeting Beschermd Wonen - Lara de Brito

In Wageningen hebben we een gouden regel. We praten niet over mensen maar met mensen; de regel is dat de inwoner altijd aan tafel zit. Dat versterkt de positie van de persoon die hulp vraagt op krachtige wijze en het zet de werkwijze van de professionals volledig op de kop. Het is een kleine revolutie, zonder dat daar veel over gesproken en gedebatteerd wordt. Het zou onze Wageningse regel onwaardig zijn als ik hier niet in gezelschap zou zijn. Daarom ben ik heel blij dat ik hier vanuit Wageningen samen met Karin van Asseldonk ben. Karin is lid van de Klankbordgroep GGZ Wageningen. Daarbij moet ik vertellen dat we in Wageningen gezegend zijn met een zeer actieve groep ervaringsdeskundigen, ouders en partners van GGZ-mensen. We trekken veel samen op, en de Klankbordgroep is een belangrijke adviseur voor ons. Karin zal straks haar verhaal vanuit de praktijk vertellen.

De vraag voor vanochtend is: Hoe willen we in 2020 beschermd wonen geregeld hebben? Om die vraag te beantwoorden begin ik eerst bij een korte analyse van waar we nu zijn. Nederland is in grote mate ingericht op basis van spreadsheets, kostenplaatjes en statistieken. Cijfers zijn leidend. En we zijn ons zodanig gaan focussen op de cijfers, de regels en de verantwoording dat we echte mensen uit het oog zijn verloren. Want een beetje flauw natuurlijk maar hoeveel gezinnen hebben nou 1,7 à 1,8 kind? Geen één. Op deze en andere cijfers maken wij wel beleid. Terwijl het gemiddelde soms helemaal niemand past. En omdat elke situatie uniek is, moeten we juist gaan leren om ongelijke gevallen ongelijk te behandelen, in plaats van bang te zijn voor precedentwerking en ons te laten wijsmaken dat gelijkwaardigheid hetzelfde is als gelijkheid, en dat we met al onze gemiddelden en onze spreadsheet-realiteit en smart- uitvoering effectief en eerlijk bezig zijn. Want alles net naast, is nog steeds niets dat past, met alle consequenties van dien. Want mensen zijn geen cijfers en een tachtig procent juiste aanpak kan zomaar honderd procent de verkeerde zijn. Deze neo-liberale logica zit zo diep in onze aderen dat we collectief lijden aan tunnelvisie. In Wageningen proberen we uit die tunnel te breken.

Met dat in het achterhoofd kunnen we een blik vooruit werpen naar de toekomst, eerst voorbij 2020. Hoe ziet de ideale samenleving er dan uit, de samenleving waar je je kinderen het liefst in wilt laten opgroeien? De samenleving waar we in Wageningen vorm aan proberen te geven, is een betrokken samenleving. Een samenleving waar binnen de wijk plek is voor iedereen, en waar mensen naar elkaar omkijken en zich verantwoordelijk voelen voor hun directe omgeving. Een samenleving waar je stem laten horen en meebeslissen over de publieke zaken die van waarde zijn, zoals de school waar je kinderen op zitten, de zorg die je moeder krijgt en de inrichting van je wijk, vanzelfsprekend is.

Dat klinkt prachtig en niemand is daar natuurlijk tegen, maar het ontstaat niet vanzelf. Daar moeten we nog heel hard voor werken. Wat is er voor nodig om de betrokken samenleving te worden die we voor ons zien? Ik ben er van overtuigd dat het alleen lukt als we ons eigenaar voelen van die samenleving. Maar hoe zorgen we er dan voor dat mensen eigenaarschap voelen? Het antwoord is: meer zeggenschap. Waar je niets over te zeggen hebt, daar voel je je ook niet verantwoordelijk voor. Dat is een goede analyse, daar ben ik van overtuigd: Meer zeggenschap leidt tot het gevoel van eigenaarschap, wat tot meer betrokkenheid en verantwoordelijkheid leidt, en daarmee een sterkere democratie met als resultaat een meer betrokken samenleving. Om het in de praktijk te brengen hebben we in Wageningen gekozen om het beleidskader van het nieuwe sociale domein - uitgaven omstreeks dertig miljoen - door de stad te laten bepalen. Echte zeggenschap, zonder politieke beperkingen vooraf. Aan dit unieke traject, dat we Samen Wageningen hebben genoemd, hebben duizenden mensen meegedaan. We hebben als gemeente veel moeite gedaan om ervoor te zorgen dat de doelgroepen die niet vanzelf meedoen, GGZ, laaggeletterden, jongeren, ouderen, verstandelijk gehandicapten, hun stem hebben laten horen. En met de simpele regel dat ieder alleen voor zichzelf mocht meepraten en niet namens een achterban, hebben we geprobeerd om zoveel mogelijk mensen die anders niet zelf van zich laten horen, te verleiden het wel te doen. Het heeft heel veel nieuwe energie opgeleverd.

Wat betekent het construeren van een betrokken samenleving voor de rol en de houding van de gemeente? Bij een betrokken samenleving hoort een betrokken overheid. Eentje die niet alleen achterover leunt en plaats maakt, maar ook actief aanwezig is wanneer het nodig is. En collectief en individueel ondersteunt en zich verantwoordelijk voelt om de betrokkenheid te vergroten, de eigen regie waar te maken en de ongelijkheid te verkleinen. De betrokken overheid is niet alleen aanwezig en betrouwbaar, maar is ook in staat om individueel echt maatwerk te leveren, en durft daarin verschil, een verschil, te maken. En ook durft te beïnvloeden, bereid is duwtjes in de goede richting te geven, ‘nudges’, zoals dat zo mooi in het Engels heet. Zolang we alle ruimte geven aan reclame en bedrijven om ons te mogen verleiden om ongezonde keuzes te maken zodat ze hun producten verkopen, is het de dure plicht van de overheid om gezonde keuzes te promoten en keuzes positief te beïnvloeden.

Wat heeft dit allemaal te maken met hoe beschermd wonen in 2020 geregeld moet worden? De ideeën die we hebben en de wijze waarop we ons verhouden tot inwoners en organisaties is niet los te zien van hoe we in Wageningen naar de invulling van beschermd wonen kijken en hoe we daar mee bezig zijn. Onze visie op beschermd wonen is dat we zorg en ondersteuning dichtbij georganiseerd willen hebben, lokaal, dat is de basis. Dat mensen onderdeel uitmaken van de lokale samenleving. Wettelijk zitten die taken nog bij de centrumgemeenten. Maar de wet is er misschien nog niet klaar voor om sommige taken lokaal te regelen. Wij als gemeente zijn dat wel en de doelgroep, want daar draait alles om, vanzelfsprekend ook, omdat het logisch en vriendelijker is. Want het zijn onze inwoners, die in onze stad wonen en die ik ken vanuit mijn bezoeken aan beschermd-wonen-huizen of van het aanschuiven bij de cliëntenraad van de RIBW waar het gesprek gaat over zorgen en behoeften. Waar een jonge vrouw me vertelt hoe waardevol het is om kwaliteitstijd met haar moeder door te brengen en dat, als haar moeder in de korte tijd dat ze samen doorbrengen zorgtaken moet gaan uitvoeren, hun relatie helemaal gaat veranderen. Dezelfde mensen kom ik ook op andere plekken tegen waar ze werken, gewoon op straat of in de supermarkt.

Omdat zij bij Wageningen horen, hebben we het initiatief genomen om met een pilot te beginnen zodat we kunnen experimenteren met een vernieuwende lokale uitvoering. Met steun van de centrumgemeente Ede is het gelukt - volgens mij als eerste gemeente in Nederland - om per 1 januari 2016 met een pilot te starten. Zo kan beschermd wonen onderdeel uitmaken van onze lokale infrastructuur waarmee de aansluiting op andere hulp en ondersteuning veel beter kan. Daardoor kunnen we beter en sneller inspelen op het stimuleren van participatie en het invullen van preventie, het zorgen dat problemen in een vroeg stadium worden gesignaleerd en opgepakt. Dat is in lijn met de regiovisie beschermd wonen van Food Valley, waar ik zelf actief aan meegewerkt heb. En dit gedachtegoed is daarna ook bekrachtigd door het advies van de commissie Dannenberg. Concreet houdt de pilot in dat we lokaal de beschikkingen voor beschermd wonen afgeven en bezig zijn met oplossingen op maat lokaal te ontwikkelen. De volgende stap is dat we zelf de inkoop gaan doen. We zitten net midden in de gesprekken met Ede over invulling daarvan voor komend jaar. Wat ik voor me zie, is dat we lokaal een helemaal nieuw aanbod kunnen ontwikkelen en inkopen, een veel meer integraal ondersteuningspakket dat ook flexibel is. Het moet eenvoudig zijn om snel meer en minder ondersteuning te krijgen, en dat moet geregeld kunnen worden aan huis. Het is belangrijk dat de ondersteuning zich aan de thuissituatie van de vrager aanpast, in plaats van andersom, zoals nu nog gangbaar is. Een grote uitdaging daarbij is het ontschotten van budgetten.

Toen er groen licht kwam voor onze pilot zijn we met samenwerkingspartners, de GGZ-klankbordgroep, de RIBW en De Woningstichting aan de slag gegaan. Met vallen en opstaan, en wat voorspelbaar gestoei met centrumgemeente Ede, komen we steeds een stapje verder. Als je wacht totdat alle drempels uit de weg zijn geruimd voordat je aan de slag gaat dan gebeurt er niets. Belangrijk is dat we mensen open en geïnteresseerd tegemoet treden, investeren in participatie, en wonen en ondersteuning in de thuissituatie, in de wijk, realiseren.

En dat het de moeite waard is om beschermd wonen lokaal uit te voeren blijkt uit het antwoord op de vraag wat het oplevert. Het antwoord dat ik terug hoorde was: ‘Hier word ik gekend, weten mensen wie ik ben’. Als wethouder gezondheid beschouw ik die woorden als het grootste compliment dat we als gemeente kunnen krijgen.

Het vernieuwen en verbeteren van beschermd wonen betekent ook investeringen in het fysieke domein. Het betekent dat we inclusieve wijken gaan inrichten, waar plaats is en plek voor iedereen. Met moderne vernieuwende woonvormen, collectief als mensen graag samen wonen in een groep - dat kan met gelijkgezinden of een mix van doelgroepen - en ook individueel als dat beter past. Deze wensen staan in onze nieuwe woonvisie, want het betekent ook een speciale opgave in de te realiseren sociale huisvesting. Ondertussen zijn we al gestart met het huisvesten van een aantal mensen - maatschappelijke opvang en/of beschermd-wonendoelgroep - in een verzorgingstehuis waar gedeeltelijk leegstand is. Dat gaat goed.

Hoe past de PGB nou in dit verhaal? In veel discussies lijkt de PGB een doel op zich. Maar het is geen doel maar een middel. Om een precies en zuiver gesprek te hebben en juist om de PGB op waarde te blijven schatten, is dat een belangrijk besef. Het is vrij overzichtelijk: als een PGB de eigen regie ondersteunt en tot meer vrijheid en kwaliteit leidt, dan is het een prachtinstrument. Als de gemeente kwaliteit en keuzevrijheid excellent heeft geregeld kan het zijn dat een PGB eerder een complicerende factor is, een extra belasting met zich meebrengt, en dan is het niet per definitie de beste keuze. Bij keuzevrijheid hoort wel altijd de mogelijkheid van een PGB. Ook voor de PGB hoort net als bij zorg in natura dat een integraal budget het ideaalbeeld is. Mijn collega’s in Woerden en Delft experimenteren met de IPGB, het integrale persoonsgebonden budget. Helaas is het nog zo, dat het bijzonder moeilijk is om het in de praktijk waar te maken. Want de administratieve systemen ondersteunen deze ontwikkelingen nog niet. We kunnen mooi zeggen dat we ‘van systeemwereld naar leefwereld’ moeten, maar ironisch genoeg moeten de systemen die verandering wel ondersteunen. Zolang dat niet veranderd is, lukt het nobele streven van een integraal budget, een IPGB of in een andere vorm helaas niet.

Er zit maar een ding op: het werkt niet, dus moeten we het veranderen. En als we niet precies weten hoe, dan moeten we dingen uitproberen. Dat betekent dat er fouten gemaakt kunnen worden. Dat moet dan ook geaccepteerd worden, door inwoners, belangenorganisaties, politici en media. En daar zit de crux van dit verhaal, want dat is nu nauwelijks het geval. De partijen hebben elkaar in een houdgreep. Alle partijen hebben een rol in het in stand houden van de bestaande situatie van verantwoording, procedures en regels. Een kramp met bijbehorende risicomijdend gedrag. Wie verandering wil, moet bereid zijn om zichzelf serieus de vraag te stellen: Wat is mijn rol daarin? Wat moet ik anders gaan doen?

Dat betekent ook moeilijke dilemma’s aangaan, bijvoorbeeld als het om privacy gaat. Meer en beter integraal werken betekent dat meer mensen informatie delen om daar voordeel uit te kunnen halen, anders is integraal werken niet mogelijk. Zonder moeilijke gesprekken, zonder ongemakkelijke posities, zonder een serieuze kijk in de spiegel, kunnen we de grote veranderingen niet vormgeven. Dat het wel kan, zonder eindeloze administratie en regels die niet opleveren wat ze zouden moeten, bewijst Zweden. Sinds ik gelezen heb over het Zweedse model van 1 persoon, 1 pas en 1 registratiesysteem ben ik heel nieuwsgierig naar de praktijk ervan. Het grote verschil tussen Nederland en Zweden is natuurlijk dat daar veel meer in handen van de overheid is, hier hebben we marktwerking. Of mensen het willen horen of niet, ik blijf zeggen: marktwerking heeft de zorg niets goeds gebracht maar wel verder van huis geholpen, vaak letterlijk. Publieke taken horen in publieke handen. Het beïnvloeden en garanderen van kwaliteit wordt dan ook makkelijker, net als de systemen vereenvoudigen en uniformeren. We zullen nog veel doorzettingsvermogen en inventiviteit nodig gaan hebben om ook de hele achterkant, de wereld van systemen, processen en administraties, systematisch af te breken.

Ter afsluiting. Ik kijk uit naar de dag waarop de vraag niet meer is: Moet iemand de indicatie beschermd wonen krijgen? Maar dat we in plaats daarvan vragen: Wat heb jij nodig om zo comfortabel mogelijk te leven? Misschien is dat wel de kern van wat ik in 2020 voor me zie. Wat heb jij nodig om zo comfortabel mogelijk te leven? Dat is de vraag waar we altijd bij terug moeten komen, en hoe we dat het beste kunnen regelen. En daar hoort een simpel principe bij: ‘Als het goed genoeg is voor je eigen moeder of kind dan is het ook goed genoeg voor degene voor je.’

Zoeken